Jos Ghysen Rotating Header Image

In mijn stad is het kermis.Ik mis het circus.Ik mis vooral “het circus van vroeger”. En heel vooral de directeur van het circus. Die man had een broer met een heel ander beroep. Die was inspecteur van het lager onderwijs.In mijn familie is het niet zo verlopen.Wat zou ik dan geworden zijn? Ik vrees dat ik het weet. JOS.

DE VOGEL. Zo ver ben ik al. Het is een Vlaamse gaai die elders uit de opsluiting ontsnapt is en mij van ergens meent te herkennen.Een verdieping hoger in de boom blijft hij weer kijken. Om het langst. Hij en ik. mocht u hem kennen, meld het mij.We kunnen nog zien wat hij doet. Ik houd van suspens. Jos.

De dokter vroeg me hoelang het geleden was dat ik nog eens bij hem was geweest.Ik zei dat ik het me niet meer kon herinneren. “Dan moet het dat zijn” zei hij.

Ze zat op vier meter van mij af. Een pikzwarte kauw. Ik bleef zitten waar ik zat en bewoog niet meer. Zij ook niet. Dat bleef een tijdje duren. Twijfel van beide kanten en ineens sprong ze op mijn knie. En ze pikte in mijn vinger. Een zachtaardig pikken alsof ze iets van mij verwachtte.Ik had helaas niets ter beschikking. Ze pikte nog drie keer. Twee keer op mijn knie en nog eens een keer in mijn vingers. Ze keek niet eens teleurgesteld naar mij.Zoiets in haar blik van “dan zal het misschien voor morgen zijn.Ik vrees echter dat het een teleurstelling zal worden.Eén keer wil u dat verhaal geloven maar wee keren niet. En toch was het echt. JOS.

d hzelaa

Klein aber mein.

Van het jaar zat hij er niet meer, het mannetje dat voor het huisje ‘Klein aber mein’ onveranderlijk tegen de gevel zat, de korte beentjes gekruist, de stok rechtop tussen de handen, kijkend naar het meer en naar de bergen die voor ons het vakantieland waren. In het hotel kende men het verhaal. Begin juni was het mannetje gestorven. Hoe oud hij precies was, wist niemand in het dorp, in elk geval heel oud. En in het huisje in een kast had men een grote kartonnen doos gevonden met geld. De buren,  de veearts en de onderwijzer hadden de doos op tafel omgekeerd en het geld geteld. Er was ook een enveloppe tevoorschijn gekomen met de boodschap waar het geld heen moest. “Negentig duizend”, zei de veearts, “en het is bestemd voor het ziekenhuis.”

Dat ziekenhuis lag twintig kilometer verderop in de bergen, naar Italië toe.  Het mannetje is nu vermoedelijk een röntgenapparaat. Niet eens zo en groot toestel. Klein aber mein…

De ansichtkaart. In het Zwitserse dorp waar ik met vakantie was, had ik mijn vaste café. Een tafeltje bij het venster van waaruit je een ansichtkaart ziet liggen. Je plakt er een postzegel op en je kunt het hele landschap versturen. Met sneeuwbergen en blauwe lucht. En Zwitserse boeren, die stilstaan in het midden van de straat. Naar dit dorp met de bergen en met het stationnetje wil ik terug. Om in die prentbriefkaart een beetje te zitten nadenken.

Augustus.63 jaar geleden kreeg ik van het vaderland een volledig uniform om gedurende één jaar het vaderland te verdedigen.Een blauw uniform want ik behoorde tot de troepen die de lucht boven het vaderland in de gaten moesten houden.Wie in dat luchtruim niet op zijn plaats zat, diende naar beneden te worden gehaald.De nodige wapens hadden we wel maar kogels werden niet ter beschikking gesteld.Het was een zeer vreedzaam leger maar toch vertrouwden ze de zaak niet. Toen we na één jaar afzwaaiden, kregen we ons uniform mee naar huis.Mocht de derde wereldoorlog plots uitbreken dan dienden wij dat blauwe pak meteen van de zolder te halen en ons in het regiment te vervoegen. Dat was niet zo simpel want ons regiment lag aan de andere kant van het land en je diende vier keer van trein te verwisselen eer je er kon geraken.Er was bovendien een aalmoezenier ter plekke om dagelijks te bidden dat er geen oorlog meer zou uitbreken. Geloof het of niet maar die man heette “Paternoster” en dat hielp enorm.Het is allemaal wel een mensenleven geleden maar als ik nu op straat een officier in uniform tegenkom, dan moet ik mij nog altijd bedwingen met de hand gestrekt tegen het hoofd te groeten.God weet wat er met ons land allemaal niet gebeurd was indien ik niet twaalf maanden lang op dat vliegveld van Florennes had gelegen.

Daarstraks vroeg mij iemand wat ik in mijn leven als het meest curieuze had gezien.Geen twijfel.Trouwens ook maar één keer mogen aanschouwen.Een wijnkelder met ragdunne plastieken spinnewebben op de flessen gespoten.Ik moet wel bekennen dat de wijn zelf veel goed maakte. Jos.

De tuinman zou maandagochtend om acht uur komen. Hij was er dinsdagnamiddag nog altijd niet. Uit nadere informatie bleek hij aan de kust te zitten.Het hulpje in de huishouding kwam tegen halftien. Dacht mijn vrouw toch. Het hulpje bleek in Plopsaland te zitten. De jongen die de wasmachine zou komen herstellen, bleek onvindbaar.De verder met wie we een afspraak hadden, was onvindbaar.Mijn vrouw en ik zijn thuis gebleven.Wat moeten wij op onze leeftijd nog in Plopsaland gaan doen? JOS.

Op het terrastafeltje zat een kat. Een vreemde onbekende kat.Ze keek recht naar moj en van et eerste moment was er een wederzijds gevoel van vertrouwen.Ze keek naar de openstaande deur en ze zag dat ze moeiteloos naar binnen kon komen.Ze dacht erover na, dat was zonder meer zichtbaar.Lang duurde het niet. Een halve minuut.Meer niet.De sprong was geruisloos.Het naar binnen komen ook.Ze liet zich aaien en om alle twijfels te voorkomen, zette ze haar rug in een soort behaard brugje naar boven.Er was geen probleem meer tussen ons.Ik sott de” deur en zij behoorde tot ons huis. Ik noemde haar Minna en dat vond ze nog lang niet zo mis.Ze sprong op mijn schoot,rechtte haar rug helemaal omhoog en ze konorde ook nog.Wellicht om alle twijfels te doen verdwijnen.Ik noemde haar Minna en dat vond duidelijk nog niet zo slecht.Mijn vrouw kwam naar binnen en de kat drukte zich meteen heel dicht tegen mij aan<; hoe voelen katten zo iets? Het verhaal is kort. De kat woont nu in Brabant. In Blanden.Soms zie ik haar nog en dan praten altijd over vroeger. “Weet je dat nog? Van vroeger? En dan knipt ze èèn oog dicht. Er is iets tussen ons maar dat weet niemand.