De overkant van de aardbol. Een bloedhete weg waaraan geen eind komt.het moet de veertig graden voorbij zijn. Kilometers en kilometers na elkaar.En ineens staat er een cafeetje langs de weg.Begin ik te ijlen of staat het er echt? Ik wandel erheen en het is waarempel echt. Er staat een meisje achter de tapkast. Voor de rest is er niemand. Ze zegt niets. Ze brengt de gevraagde pint bier en ze verdwijnt. Een gammel deurtje. Ik sta moerzielig alleen. Tot de deur weer opengaat. Een opvallend kleine man. Hij komt tot vlakbij, kijkt mij recht in de ogen zegt in het Nederlands: “Moet ik je nu misschien feliciteren omdat je mij gevonden hebt?” Ik zeg: “Sorry maar ik begrijp het niet.” De uitleg kwam spoedig. Op een rek achter de tap lag een stapel Vlaamse tijdschriften waarin ik wekelijks een stukje schreef met een foto van mij erbij.. De man was een Vlaamse financier die met die met miljoenen aan de haal was gegaan en hier nu aan de overkant van de wereld met zijn vriendinnetje leefde.
“Ik val uit de lucht”, zei ik, ”ik moet morgen honderd kilometer verderop een lezing voor Nederlanders komen houden .” Of de man nog leeft, weet ik niet. Het verleden wordt alsmaar langer. JOS.
