De man was 84. Dat wist ik want we hadden vroeger in hetzelfde klasje gezeten.Hij sloeg mij in volle straat op de schouder en riep: “weet jij nog dat de Knook jou een klets tegen je kop gaf en dat jij toen helemaal over mij heen viel? En dat de inktpot toen uit de bank gevallen was?”
Ik wist alles nog. De Knook, de klets, de inktpot en het jongetje van een jaar of negen.Hij was nu een man van 84 en hij had blijkbaar het geheugen van een olifant.
Dat ik toen tot overmaat van ramp ook nog over de piano was gevallen en dat die toevallig open stond en dat die een vreseljjk lawaai had gemaakt.
Het jongetje wist alles nog. Ik ook, allicht want ik was het slachtoffer in het verhaal geweest. Toen de piano een afgrijselijk muziekwerk liet horen, ging de Knook pas helemaal door het lint. Hij schreeuwde : “En piano spelen kan hij ook al niet!” Hetgeen niet waar was want ik volgde al drie jaar pianoles bij meester Bongaerts.
.”Zou de Knook nog leven?” vroeg de man.
“Ho!” zei ik. “Dan was hij nu een heel stuk over de honderd.”
3hoeveel kinderen en kleinkinderen heb jij?” vroeg de man. Drie kinderen en negen kleinkinderen,” zei ik.
“Hoeveel zou de Knook er gehad hebben?” vroeg de man zich af. “Als die nakomelingen allemaal zo rap uit hij sloefen schieten, dan is dat geen plezierige familie!”.
Twee oude heren die midden in de drukke straat filosofische gesprekken voerden over dingen die 75 jaar geleeen gebeurd waren.
Er kwam een man vooprbij met een jongetje van een jaar of acht aan de hand. “Als je nu niet ophoudt met zeuren, dan krijg je seffens een klets om je oren!” hoorden we de vader zeggen.
“Dat kan best een nakomeling van de Knook zijn, ” zei ik.
“Dan heeft hij tegenslag, zei de man, hier staat geen piano.”
Jos.
.
