In een plastieken zakje heb ik voor vijf euro de lente gekocht. Van Maaike en Els, twee vrouwen die op de bloemenmarkt het voorjaar in houten kistjes hebben liggen. Wat zijn vijf euro’s als je de hele lente mee naar huis mag nemen.
In een zwarte ketel heb ik de lente op het terras aan een houten balk gehangen en vanaf de ontbijttafel kan ik nu het voorjaar zien. Tachtig jaar geleden moet een Kempense boerin in die ketel aardappelen gekookt hebben en zoveel jaren later komen er viooltjes uit. Het mens zou verschieten als ze dat zag. Een goocheltruc. Ik weet het, de sneeuwklokjes waren er éérst maar die zijn zo freel en zo huiverig kwetsbaar . Die staan te rillen van de kou. Krokussen waren er ook maar ook die brengen de lente niet mee. Fluwelen viooltjes doen dat wél. Geef toe, welke serieuze mens praat nu over een zwarte ketel waarin viooltjes bloeien ? Er zijn wel andere dingen in de wereld. Ik weet het maar ik heb nog niet alles gezegd, gisterenmorgen zat er ook nog een gitzwarte merel op de rand van de ketel. En hij floot. Uit alle kracht want hij weet verdomd goed dat als hij nu niet doorfluit dan is een ander met het wijfje weg. Een heel seizoen naar de knoppen. Heb het zelf maar eens aan de hand. Op de rand van zo een ketel gebeurt er veel meer dan wij weten. Maar zo een merel of zo een viool, die komen nooit in de krant. We weten daar eigenlijk niks van. Ik kan er ook beter over zwijgen en misschien “De Lente” van Vivaldi nog eens uit het hoesje halen.
JOS .
