In het hart van de stad stond hij. Helemaal alleen. En hij bekeek mij. Er hebben al veel ezels naar mij gekeken maar nog nooit zo triest als deze. Doordringend triest. Hartverscheurend triest. Ik ben naar hem toegegaan en ik heb hem over de kop geaaid. Ik voelde door zijn grijze pels heen dat het hem deugd deed. Een ezel moerzielig alleen in het hart van de stad. Tegen de muur van de kathedraal stond hij. Hoe komt een ezel nu daar terecht ? En waar kwam die vandaan ? Met de kerstdagen denkt ge dat het de ezel is waarmee Jozef en Maria en het Kind Jezus naar de kribbe op de Grote Markt zijn gekomen. Maar die waren daar al een tijdje. En die zijn bovenndien in steen. Dat is een stenen ezel. Niet verwarren met een steenezel. Die vindt ge overal maar een kribbe heeft haar vaste crew. Het Kind Jezus, Jozef en Maria, , een paar herders, drie koningen, een os en een ezel en pak weg een schaap of twee drie.
Ik snapte er niets van. Hier betrof het een échte ezel. Een levende ezel. Moerzielig alleen tegen de muur van de kathedraal. Een mooie grijze ezel met een streelzachte pels. Leg het maar uit. Ik ben naar hem toegegaan en ik heb hem over zijn kop geaaid.Hij bekeek mij. Lang. Heel lang. Een vreselijk weemoedige blik. Het leek zelfs of hij een traan in zijn oog had. Hij bukte het hoofd. Of hij wilde zeggen ‘aai me nog eens’. En toen – ik schrok me wild – hief hij zijn kop omhoog, zo hoog hij maar kon en hij balkte drie keer na elkaar. Nooit geweten dat een ezel zo luid kon balken. Er kwam geen eind aan. En – hoe komt zoiets ? – ik dacht ineens aan de premier van Holland. Aan Balkenende. Toen de ezel hij uitgebalkt was, kwam hij nog dichter naar mij toe en met zijn harde sterke kop duwde hij tegen mijn hand. Misschien wilde hij zeggen “het is jaren geleden dat iemand op het idee is gekomen om mij nog eens over mijn kop te krabben.” Ik heb het dan nog maar eens overgedaan ook – het waren de kerstdagen – en een ezel is ook maar een mens.
JOS .
