
Een jaar of acht moet ik geweest zijn toen een oom op een avond thuis binnenkwam met een minuscule zwarte puppie in zijn handen. “Hier jongen, zei hij, die krijg je van me.” Een zwarte dwergpincher was het. Met bruine puntjes boven de ogen. Binnen de kortste tijd wist die al waar mijn moeder haar boodschappen deed. Wanneer ze haar mantel aantrok, verdween hij als de bliksem door de achtertuinen en zat hij haar bij de winkeldeur al op te wachten. Daarna is de cocker spaniel gekomen. In de junidagen van 1940 dreven Duitse soldaten, het geweer in de aanslag, honderden Franse en Britse en Belgische krijgsgevangenen naar de kampen in het Reich. Ons huis voorbij. Een Franse soldaat hield nog een jachthond bij de riem. “Ils vont le tuer!” riep hij wanhopig. Ik liep naar hem toe en nam de hond met riem en al van hem over. De Fransman hebben we nooit teruggezien en Duc heeft thuis de hele oorlog doorgebracht. Vele jaren later is de chowchow gekomen. Tcheng. Mijn oudste zoon was een jaar of vier en hij mocht op de hond gaan zitten zoals op een jonge leeuw. Daar was mijn zoon bijzonder trots op want een ander mocht niet eens in de buurt komen. En daarna volgde de mini-mini-dwergpincher die om een onderdoorgrondelijke reden “Whisky” werd genoemd. Bij grensovergangen staken we hem gewoon in de binnenzak van een vest, daar bleef hij zonder probleem zitten. Tot in Zwitserland als het moest. Na hem zijn de grijze dwergschnauzers aan de beurt. Twee na elkaar. En het grote verdriet om Bram die plots doodging. Roef heeft hem vervangen waarna Suske is gekomen. Een Brusselse griffon die dertien jaar oud is geworden. De laatste hond. Dacht ik. Tot ik een paar dagen geleden op een plek waar ik in geen jaren nog was geweest, een stenen hond in een voortuintje zag liggen. Als kind van een jaar of vier kwam ik hier elke zondagmifddag aan de hand van mijn moeder voorbij. Ik liep dan even naar het voortuintje en aaide de hond. Het voortuintje van een prachtig herenhuis waar ene mevrouw woonde die Frans sprak en die Lagneau moest heten. “De hond van Lagneau,” zei mijn moeder. Mijn hele leven lang moet die hond daar gelegen hebben.Exact op dezelfde plek. Destijds had hij een gladde glanzende, bijna gepolijste huid. Ik weet het zeker want ik aaide hem elke zondag. Maar ja, de jaren zijn over hem heengegaan. En de sneeuw en de regen en het ontij. Hij bekeek mij, een gebroken blik, dat wel, katarakt of zoiets, maar hij lag er nog altijd en ik zag dat hij mij herkende. En wij begrepen elkaar.
JOS.

je ziet,de aanhouder wint,ondanks het feit dat de katolieke kerk daar anders over denkt,ik beken,ik heb niks gedaan,jaja dat zeggen ze allemaal hoor ik jullie denken,maar deze keer heb ik echt niks gedaan,gewoon de blog geopend,en zie, alles was terug ok,hé ik lijk wel mijn eigen bomma,die zei vroeger altijd och maske,da komt allemaal vanzelf in orde,als ge maar lang genoeg wacht,
Een mooi verhaal waar ik het warm van kreeg. Ik heb ook altijd honden gehad en zou niet zonder kunnen. en ja, iedere hond heeft zijn eigen verhaal.
Christel