Ergens op aarde klikte heel onlangs een mij onbekende man met zijn middenvinger op één toets van zijn computerklavier en binnen de seconde wist ik twee dingen van hem. Hij had : mij op internet zitten lezen en hij woonde in Finland.Mijnheer Devriendt, bedankt voor uw reactie en het ene plezier is het andere waard: ik woon ook in Finland. Om u dat uit te leggen heb ik wel een heel verhaal nodig.Een oud verhaal, uit de jaren dertig. Vlak bij ons ouderlijk huis lag een hectaren grote moestuin die door een familie tuiniers werd uitgebaat. Een weduwe met vier zonen. Een robuuste vrouw van wie het gezag onaantastbaar was. De zonen werkten zich letterlijk krom tussende prei en de sla en de rabarber en de witte en de rode kolen. Elke ochtend haalde de moeder een paard van stal, riemde het dier vast in de kar en dan deed ze de ronde van de halve stad. Huis aan huis belde ze aan om haar waar van de dag aan te prijzen. “Ha Fin, zijt gij het ! Geef mij vandaag maar een krop sla en een halve kilo snijbonen.” Tijdens de dagelijkse tocht van de moeder zaaiden en maaiden en mestten de vier zonen onverdroten verder op het thuisfront. Op het land dat iedereen “het land van Fin” noemde. Als kind uit de buurt was dat tuingebied zo goed als van ons. Wij mochten er ongestoord cowboy en Indiaan spelen. De tuiniers hadden niets tegen allochtonen.Wij mochten zelfs een eigen huisje bouwen.Primitief, de jaren dertig, met wat takken en afgehakt groen. Toen de woonst af was en wij met vijf nauw tegen elkaar gehurkt in het gammele ding zaten, zei plots een van ons : “Nu wonen wij in Finland !” En dat was een zeer indrukwekkend moment. Jaren later werd het “land van Fin” verkaveld. Voor woonhuizen en appartelenten. Ik heb er zelf een perceel van gekocht en ik woon er al 45 jaar. Op het land van Fin. In Finland.
Aan Fin houd ik in mijn herinnering een heel mooie anekdote over. Ik zei het al, Fin was Rubensiaans gebouwd , ook de de jaren dertig, en op een ochtend belde ze bij ons thuis aan. Mijn moeder deed de deur open. Kar en paard en Fin stonden aan de overkant. van de steenweg en mijn moeder riep: “Fin, heb je appelsienen?” Op dat moment reed er een man op een fiets voorbij, die keerde het hoofd om en riep: “Neen, Fin heeft meloenen !” Fin werd op slag woedend en ze gooide de man een appelsien naar de kop. Ik weet nog dat ik aan mijn moeder vroeg: “Waarom is Fin nu ineens zo kwaad?” En ik herinner mij nog even scherp dat mijn moeder antwoordde : “Ik vraag het mij ook af.” Ach, de jaren dertig.
JOS.
