In het immense tuincentrum stond ik moerzielig alleen bij de kassa.Geen levend wezen te bespeuren. Ik stond er met het geld in de hand maar blijkbaar wilde niemand het hebben.Ik had met twintig geraniums gratis naar huis kunnen wandelen maar ik heb nog geleerd dat je daar later in de hel moet voor branden.En ik vind dit voorjaar al te heet.Eindelijk hoorde ik een vaag gestommel tussen de eindeloos lange winkelrekken. Een man. Een ouwe man.Wie ben ik om dat te zeggen? Maar hij leek duidelijjk ouder dan ik en dat geeft een mens een goed gevoel. Haha, zei hij, zijt gij het ? Tiens,nu ik u hier tref, hoe oud zijt gij eigenlijk? Ik zei hem de waarheid, geheel de waarheid en niets dan de waarheid.Nog een paar weken en dan is het 81. Hij blies het weg alsof het iets belachelijks was.Hij wipte zijn linkerbeen omhoog, tot bijna tegen zijn schouder. Goed kijken, zei hij. En toen deed hij het nog eens over met zijn rechterbeen. 92 zei hij toen. Daar had ik niet van terug. Mocht ik hetzelfde geprobeerd hebben dan reden ze me meteen naar de intensieve afdeling. Van tussen de rekken kwam een zwetende zware vrouw aan geschommeld. Ze pufte onder het gewicht van twee tot de rand volgepropte winkeltassen. Ik zie het al, zei ze, onze pa is weer eens aan het stoefen over zijn 92. Meneer, ge moet die thuis bezig zien, ik kan geen minuut ergens zitten of hij jaagt mij op. Hij rijdt nog elke dag vijftien kilometer met zijn brommer naar ons Maria, mijn zuster. En terug. Weer of geen weer.
Ik meen mij het herinneren dat ik mijn brommer in 1947 van de hand heb gedaan. Ik ben vandaag al blij als ik dit stukje tekst op zijn juiste plaats op het internet neergepoot krijg.
JOS.
