Hoe oud ben jij nu? vroeg hij. Ik zei hem de waarheid, geheel de waarheid en niets dan de waarheid. Hij was trouwens van mijn generatie, wat maakte het dus uit? En hoe oud is je vader geworden ? Zevenentachtig. Wel,zei hij, ik heb gisteren thuis voor de aardigheid iets zitten berekenen. Stel nu even dat je een feest zou kunnen geven voor al die voorzaten van je. In rechte lijn. Dus je grootvader, je overgrootvader, je over-over-overgrootvader en zomaar altijd verder. Tot het jaar nul. Tot Jezus Christus. Of tot de tijd dat de Romeinen hier nog zaten, maakt niet uit. Wat voor een zaal zou je dan moeten afhuren om die daar allemaal binnen te krijgen, gesteld dat ze allemaal zouden komen ? Het leek me een origineel idee. Eindelijk eens de hoefsmid ontmoeten waar mijn stamboom op vastgelopen is. God behoede ons, misschien kwam er een halfnaakte man met een geitenvel om de heupen naar binnen, met een spies in de hand, en vroeg die: Is het hier dat ik moet zijn voor de reünie? Stel je voor, die kon op mijn broer gelijken. Of op mij. Dat kan toch. Ik had er geen flauw idee van, ik gokte dus maar. Het Sportpaleis, zei ik. Of de Ethiashal, om dichter bij huis te blijven. Of misschien wachten we beter tot in de zomer, dan kunnen we in het Openluchtdomein van Bokrijk bijeen komen, daar is plaats genoeg. Aan het nodige budget om zo een voorgeslacht een dag lang van spijs en drank te voorzien durfde ik voorlopig niet denken. Die Eburonen waren bekwaam om tegen elf uur ’s avonds in koor te beginnen zingen van “En we gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet.” Zeker nu ze eens onder elkaar waren en de oma’s allemaal thuis gebleven waren… Ik bleek me zwaar te vergissen. Met een gewone ietwat lange tafel in het eerste het beste parochiezaaltje heb je meer dan genoeg, zei de man, ze zijn hooguit met veertig . Hij had de berekening gemaakt. Als ze allemaal 80 waren geworden en ze hadden hun oudste zoon gekregen toen ze zelf 25 waren, dan hoefde je toch maar gewoon die 25 van de 80 af te trekken en 2007 delen door 55 en dan kwam je uit bij 36 . ik durfde hem niet tegenspreken Ik dacht terug aan al mijn buizen voor wiskunde destijds. Als hij gelijk heeft en ze willen hierboven een beetje meewerken dan wil ik de kosten graag op mij nemen. En dan mogen ze nog tot drie uur in de nacht blijven doorzingen en tamboeren als ze willen. Op mijn kosten. Voor die éne keer dat ze er eens uit mogen. Ik wil die Aduatiekers zien die op mij gelijken.
JOS

Ge kunt U het verwoorden nog altijd niet laten.
@Den Jos.
Ben ik ook uitgenodigd op uw bijeenkomst?
GRAPJEIK stam ook van de apen af,maar ben wel niet zeker van mijn stuk.
Tot zo. Britman.
Subliem!
warket
Ik was altijd al een fan. Ouder en gevoeliger worden herlees ik met een nieuwe bril – en dat mag U letterlijk nemen- zijn stukjes van vroeger over Hasselt. (Eén boekje bundelde ze in 1985). De stad zelf en haar inwoners van vroeger en nu: ik herken veel en geniet er intens van. Mijn ouders kwamen hier vijftig jaar geleden wonen toen ik nog een broekventje was maar ook een geimporteerde hasselaar leest de ziel van zijn stad in deze colums. De gemoedelijke ironie en de opmerkingsgeest van Jos Ghysen weten me steeds weer te boeien en vaak te ontroeren. Aan deze weblog, een mooie en welkome, onverwachte, aanvulling op de meesterwerken van weleer, beleef ik alvast veel genoegen! Dank, Jos, en nog vele jaren alstublieft!
Zo te lezen zit er meer van Atuatuca in uw bloed dan ik gedacht had.
Die oude Belgen in de stoet van zondag waren trouwens een beetje erg vies. Er was er één met een bebloed konijnenvel, van een lief wit konijntje, bbbrrrr. Zie de foto’s op http://www.tongereninbeeld.be !
Toch maar geen reünie?
Lieve groetjes,
Tienske
Ja Jos, ik schrijf me meteen in voor dergelijke bijeenkomst. Al was het maar om al die mensen te ontmoeten die ik in mijn boek verwerkt heb. Laten we niet vergeten dat de “grootste” Hasselaren allemaal van afkomst Tongenaar zijn, inclusief het Heilig Paterke van….Hasselt!
Groetjes, en blij je te lezen!