Jos Ghysen Rotating Header Image

WOENSDAG OM TWEE UUR .

Het café op de hoek moet wel honderd jaar oud zijn. Toen ik als kind de hoek omliep naar het snoepwinkeltje van Sie was het er al. Met dezelfde naam, dezelfde gordijntjes, dezelfde donkerte binnenin. Dezelfde mensen kan natuurlijk niet. De bazin van nu moet de kleindochter zijn van de grote dikke man van toén. De man met zijn forse witte snor en met onveranderlijk een zware lederen schort voorgebonden. Pas wanneer je de hoek om wandelt, het kleine smalle straatje in, merk je hoe de tijd heeft toegeslagen. De geur van de verbrande paardenhoeven hangt er helaas niet meer. De hoefsmid is al zeker een halve eeuw dood maar ik verwacht die heerlijke doordringende geur daar nog altijd. De man is rechtop gestorven, vlak bij het enorme felgele vuur van zijn smidse en met zijn vervaarlijk gloeiende tang in in de hand. Veldheren sterven ook zo. De smidse is nu , god betere het,n een garage geworden.En in het straatje staan geen paarden meer geduldig in de rij hun beurt af te wachten. Binnen in het bruine café staan nog dezelfde tafeltjes van toen, de tijd is niet naar binnen geraakt om ze stuk te krijgen. En de kaarters zijn nog altijd met vier. Op woensdagmiddag om twee uur.. Daar kun je de klok op gelijk zetten. Kaarters komen op tijd of anders kaart je niét.

Voorbije week woensdag, twee uur, en ze zaten met twee. De oudste keek op zijn horloge en zei: “Tien na twee. Dat is zolang we samen kaarten nog nooit gebeurd. Tegelijk sloeg de deur open en de derde man kwam naar binnen. Gehaast.  “Ja ik weet het, zei hij, zichzelf verontschuldigend, ik ben te laat maar ik ben nog niet de laatste , zie ik. Milleke is er ook nog niet.” De andere twee keken naar elkaar. Met vragende blik. En toen zei de oudste: Jij weet het dus nog niet van Miilleke ?” “Neen, zei de laatkomer, is er iets met Milleke ?” Het antwoord kwam niet onmiddellijk. De bazin van het café die bij de prachtige porseleinen tap stond, dezelfde tap van drie generaties geeden, wendde het hoofd af en keek naar buiten waar een kille grijze winternamiddag hing. En toen zei de oudste: “Milleke heeft zich gisterenavond opgehangen.” Dat was hoorbaar een zin waar je doodstil van werd. De laatkomer zette zijn hoed af, hing hem aan de kapstok, toen zijn sjaal en daarna, heel langzaam, zijn overjas. En toen zei hij: “Awel, dat is nu weer eens honderd procent Milleke. Goed weten dat we woensdagmiddag om twee uur moeten kaarten en zich dan dinsdagavond ophangen.”

JOS .

Leave a Reply