JULIEN SCHOENAERTS .
Schoollokaal met een enorm hoog plafond, derde rij rechts, tweede bank , Vierde Latijnse, 1942 . Toen en daar zaten we naast elkaar. Ik woonde vlakbij, hij kwam elke ochtend met de trein uit Eigenbilzen. Een leven lang vrienden gebleven. Elke zomer, vele jaren lang, met nog wat jeugdvrienden voor één dag samengekomen in een villatuin in Brasschaat . Een advocaat, een acteur, een legergeneraal, een fantast van wie niemand ooit geweten heeft wat hij precies deed, een tot in Japan gevierde haikoe-dichter, een Kerkgeleerde, een bibliothecaris van een unief en ik. Met zo een groepje verloopt het onverbiddelijk zoals met de Tien kleine Negertjes van Agatha Christie . Tot voor kort waren we nog met drie. Nu ook Julien weggevallen is resten er nog twee . De man van de haikoes en ik . Te weinig om bij elkaar te komen, de moderne tijd heeft daar de e-mail voor bedacht. Een generatie die verdwijnt.
Bij het bericht op de radio dat Julien overleden was , flitste ineens één krankzinnig detail van jaren geleden naar boven. Het geheugen leeft zijn eigen grillig leven. Julien en ik op een winteravond onderweg naar Itegem. Een gemeente waar noch hij noch ik ooit geweest waren. In het donker zie ik eindelijk het gele bordje met de naam: Itegem. We rijden drie kilometer verder, van een dorpskern geen spoor, tot we uiteindelijk opnieuw een bordje zien met andermaal het beloofde Itegem. Rechtdoor dus maar weer , er was trouwens geen andere keuze, maar het bleef bij een belofte. Van enig Itegem geen sprake. Weer tien minuten rijden en – geloof het of niet – wéér een bordje met Itegem. Het derde. En zie, door God gezonden, zien we plots twee rijkswachters met elk een roodverlichte wapenstok staan zwaaien. De redding is nabij. De oudste van de twee buigt zich door het open raampje en ik leg hem uit wat ons overkomen is . Ik noem de straat waar we moeten zijn en de man legt ons geduldig uit hoe we moeten rijden. Eerst zus en dan zo en dan ziet u rechts een garage en daar tegenover meteen links afslaan en dan altijd maar rechtdoor tot aan de kerk. De kerk, zegt hij, laat je links liggen en dan … Op dat moment buigt Julien zich plots over mij heen, kijkt de rijkswachter in theatrale paniek aan en zegt op een toon alsof hij een tekst uit Shakespeare citeert: “Mijnheer, wat u daar zegt is een zware vergissing , u mag de kerk nooit links laten liggen, u moet de kerk altijd in het midden houden.” De rijkswachter bekijkt hem doordringend, kent Julien duidelijk niet, mij ook niet, en zegt op doodnuchtere rijkswachttoon : Mijnheer, gij kunt ……… .
Ik kan zijn tekst hier moeilijk weergeven maar meteen na het verder rijden zegt Julien, doodkalm en nog steeds op Shakespeariaanse toon: Jos, ik vind het een leuk voorstel van de man en jij doet wat je wil, je mag terugrijden, maar zelf dénk ik er niet aan …
U vult de tekst naar eigen verbeelding maar zelf verder in , ik ben er bijna zeker van dat u het bij het rechte eind zult hebben.
Julien was een bijna geniaal begaafd artiest maar je kon nooit voorspellen wat hij plots zou gaan zeggen. Waar of tegenover wie dan ook. Soms bleef alleen de vlucht nog mogelijk. Een heerlijke man.
JOS
.

