
Omdat ik bang was de herinneringen aan vroeger onherstelbare schade toe te brengen, had ik het restaurantje tot nog toe vermeden. De onbekende die “De Smulpaap” openhield,bood zo te zien dezelfde snacks die je overal in de stad in de minirestaurantjes kon vinden.
Kikkerbillen in roomsaus met look ,Griekse slaatjes met feta-kaas,
lasagna van de chef. Het woord chef stoorde mij. Hij was hier helemaal
niet de chef, hij was gewoon de man die dit pand na jarenlange
leegstand van de nieuwe eigenaar had gehuurd. Pand was een luxewoord
voor de krot die het eigenlijk geworden was. De muren trilden wanneer
een te zware vrachtwagen door het straatje dreunde.
De chef wist
trouwens niets van wie hier ooit in een vorig tijdperk een
“vogeltjeswinkel” had gedreven. Een zwaargebouwde man was dat geweest
die winter en zomer in een grijze stofjas in zijn zaak stond en die
jaar in jaar uit een dikke grijze wollen broek met bruine bretels droeg. Het vrouwtje zag je
uiterst zelden, dat bewoog zich enkel in de ruimte die nog achter het
winkeltje te raden was.
Tien kinderen hadden ze samen en hoe die met
hun allen de oorlog levend doorgeraakt waren, begreep niemand. De man
verkocht sijsjes en botvinken en merels en sneeuwgorzen en leeuweriken
en kneuters en sneeuwwitte duiven met lange halzen.. Hij was een
merkwaardig tevreden man. Decennia voor het liedje gecomponeerd werd,
kende hij de essentie er al van. “Wat een geluk dat ik de wijsjes van
de sijsjes en de merels ken.” Wanneer je een vogel bij hem kocht
stopte hij die bliksemsnel in een kartonnen doosje. Eenmaal gesloten
verviel elke waarborg. Op iets dat van de schepping komt, zei hij,
staat nooit garantie.
Vogeltjes in kooien hadden een magische aantrekkingskracht op mij en
als kind was ik welhaast verslaafd aan de geheimzinnige donkere sfeer
die in zijn winkeltje hing. Boven de deur zat een koperen bel bevestigd
die genoeg lawaai maakte om zelfs de bewoners van vier huizen verderop
wakker te doen schrikken maar de man had de bel daar speciaal
aangebracht voor het geval hij even weg was en zijn vrouw de zaak moest
drijven. Het mens was zo doof als een pot maar daar was ze onder de
oorlog bijzonder blij om.
Toen bij een bombardement een kantoorgebouw
bij hen om de hoek tot puin werd gegooid vertelde ze nadien opgewekt
dat ze van het hele gebeuren niets had gehoord..
Ik stiet de deur van het restaurantje open maar de bel was weg. De
winkelbank was weg, de binnenmuur was weg ,de muur waartegen altijd een
grote houten traliekooi had gehangen met een lijster erin die floot
zoals ik later nooit meer een lijster heb horen fluiten. Die fluit
urenlang voor mij alleen, zei de man met de bretels..
Een van de vijf tafeltjes was nog vrij. Hier moest ongeveer de toegangsdeur naar het achterhuis gestaan hebben.
Hebt u uw keuze al gemaakt? vroeg een onbekende jongen in een
smetteloos wit vestje. Lasagna van de chef, zei ik, en een glas witte
wijn.
Waar nu mijn tafeltje stond, moest destijds de woonkamer zijn geweest. Drie meter bij vier.
Is er hier achterin nog een vertrek? vroeg ik. Neen , zei de jongen,
het gebouwtje gaat niet dieper, de keuken en het toilet zijn boven.
Ik heb geen idee waar de tien kinderen gebleven zijn. Misschien wonen
die nu wel in riante villa’s her en der in het land. Het is ze van
harte gegund. Maar ik wed dat er niet één van hen een lijster bezit
die urenlang voor hem alleen fluit. En dan zwijg ik nog van de warme
wollen broek met de makkelijke bretels.
