
Een verslag terug opgezocht uit de Tour de France van 1964 . Het was de Ronde die door Jacques Anquetil werd gewonnen. Vier jaar later deed ik het nog eens over. Het was de eerste Tourzege van Merckx. Ik kende totaal niets van sport. Ik was er voor de BRT om het circus eromheen te verslaan. De échte sportcollega’s waren toen Piet Theys , Marc Stassyns en Jan Wauters. Renners en verslaggevers verdwijnen, bergen blijven.
Door mijn venster zie ik hoe de sneeuw donker wordt op de Galibier. Er
blaft een hond op de binnenplaats van het hotel. In dit dorp op
vijftien kilometer van Briançon. Ik weet niet meer hoe het dorp heet en
ik ben te moe om het op te zoeken. De namen van de dorpen tellen
trouwens niet meer. Ik twijfel of het maandag is of dinsdag. , de dagen
zijn uitgeschakeld.
Er is alleen de Tour. Er zijn alleen de renners.
Er zijn alleen aankomsten en vertrek, het uitpakken van de koffers ,
het inpakken van de koffers, honderdduizend mensen langs de weg,
tweehonderdduizend, Kamer 35 , een bad nemen , driehonderdduizend,
meisjes in bikini, vierentwintig kloosterzusters van wie er één in de
handen klapt , Kamer 57, naturellement le vin du pays, het gezicht van
Jean Gainche op de Galibier. Een gezicht dat ik nooit meer zal
vergeten.
Het is allemaal Tour de France. Begonnen als een lenige
kermiskoers in Bretanje, een regenbooglint in het beminnelijke
landschap van Picardië, is het nu plots een woest en onvergetelijk
drama geworden, tegen een decor dat door geen mensen kan bedacht zijn.
Het geurt naar hitte, naar schroeiend stof en naar hete benzine,
onderweg naar de top van de Galibier. Een moorddadige, tergend
uitgerekte slingerweg naar de 2556 m hoge donkere koele tunnel op de
top. Met hellingen waartegen de zwarte machines van de motards in
eerste versnelling als reusachtige kevers vastkleven, met een wolk van
stof en keien achter zich aan. En de wagens die beneden als groene en
rode en helgele insecten zich tegen de rug van de Alpen vastgezogen
hebben met de vaste wil dat de mechaniek sterker zal zijn dan de
Galibier. Onze wagen heeft geweigerd in een bocht. Op 6 km van de top.
Hij stonk naar rook en naar geschroeid gummi en hij hapte met open
motorkap gulzig naar lucht.
Toen zijn ze voorbijgekomen. Ik zal het nooit vergeten. Waar de
mechaniek was stilgevallen daar kwamen zij. Federico Bahamontes, in
triomfantelijke witte trui. Langzaam, rustig , met een onaantastbare
zelfverzekerdheid. Het was zijn privé Galibier. En de Alpen waren van
hem. Er durfde zelfs niemand roepen toen hij voorbijkwam. Er klapte
niemand in de handen. Het was stil. Bahamontes kwam in de Alpen
voorbij. Alleen. Wij keken hem na. Hij ging om de bocht voorbij, tegen
een decor van smeltende sneeuw en grijswitte wolkenflarden. En wij
wisten dat wij iets grootsgezien hadden. Iets dat niets meer met
coureurs te maken had en niets met een rit, het was iets anders, iets
dat misschien angst heette, of waanzin, of Tour de France. Ik denk
het.
En de anderen zijn gekomen. Anquetil en Groussard en Junkermann en
Poulidor. De groten van de Tour de France. Langzaam, zoals in een
vertraagde film. Onderweg naar de tunnel op de top van de Galibier.
Pas daarna kwam het applaus.Toen de groten al een tijd voorbij waren.
Voor de anderen. Voor de afgebeulden. Voor de gezichten die Jeroen
Bosch nooit heeft durven schilderen. Zwart, met ogen die niet meer wit
waren doch roodblauw van het bloed dat er vlak achter klopte. En met
schuim rond hun mond, zoals suiker, hardwit gestold.
Iemand reikt een fles aan Jean Gainche, maar hij kan niet meer drinken.
Hij schudt ze leeg in zijn hals en het bruine schuim gutst over zijn
benen en spat uit elkaar tussen de glanzende spaken van zijn fiets. Hij
huilt en dat is het verschrikkelijkste dat ik ooit gezien heb. Een
renner die niet meer kan en die huilt omdat het zo snikheet is en de
Galibier zo hoog. Ze rennen naar hem toe om hem te fotograferen wanneer
hij valt maar hij valt niet. Ze blijven langs hem lopen om morgen het
grote moment te hebben op hun eerste pagina. Maar Jean Gainche valt
niet, hij hààlt de Galibier en de koele zwarte tunnel aan de top.
Onze mechaniek heeft zich hersteld, de banden sissen weer over de
sneeuw en dan komt iets waarvoor ik geen naam kan vinden. De afdaling
van de Galibier. Plots, zonder overgang, vlak achter de tunnel in een
eerste zwiepende bocht die zich altijd sneller en sneller naar beneden
slingert, de roekeloze diepte in. Beneden ons dalen Anquetil en
Poulidor en Junkermann. En nog verder moet Bahamontes zijn die nu tegen
zeventig per uur op duimdunne fietsbanden op een halve meter langs de
afgronden scheert. Er is een motard die het aandurft achterom te kijken
en op vijf centimeter de rand van de rotsen mist.
Indien hier een wagen
hapert, dondert hij achthonderd meter de diepte in. Zij weten het, de
chauffeurs, maar er is geen keuze. Als ze op de pedalen blijven drukken
dan branden de remmen door. Het stinkt naar hete gummi. Pas op voor
Bahamontes ! Naar links !!! En daar dondert onze wagen tegen honderd
per uur door de bochten, in een niet meer tegen te houden slingering
naar beneden, 33 kilometer lang, waar duizenden staan en waar een
oorverdovend gehuil opgaat wanneer de stankkolonne binnendondert met
achter haar aan…Bahamontes. De Adelaar van de Alpen.
Ik ga nu naar bed. De Galibier ligt inktzwart achter het venster. De
hond blaft niet meer. Het schijnt dat Bahamontes een gewone mens is. En
de Tour de France sport.
