
Wanneer ik aan de building voorbijkom – en dat gebeurt vrijwel elke dag - denk ik aan madame Vandeven. Zij heeft destijds mijn kinderjaren verblijd. En voor weinig geld. Haar man trok elke ochtend met een borstel en een emmer kalk de stad uit, de boerderijen langs, om de gevels te gaan “witten”. Maar daar kon je geen zes kinderen van te eten geven en
daarom schoof zijn vrouw een houten tafeltje tot tegen het venster aan de straatkant en stalde daar de heerlijkheden op uit die ons, onderweg naar school, naar binnen moesten lokken.
Het was een van de kleinste huisjes van de stad en wie nog het echte
oude dialect spraken, zegden dat je er overheen kon plassen. Het aanbod
snoep was niet groot, het waren trouwens de crisisjaren dertig, maar
zij kende perfect onze budgettaire mogelijkheden. In kartonnen dozen
lagen zwarte belga’s, gedroogde bruine zoethoutstokken , zachte roze en
witte spekken, hosties met prikkelend zuur poeder gevuld, geribde drop
in zwarte rolletjes die wij schoenveters noemden, heftig gekleurde
knikkers waar onervaren kameraadjes al meteen hun tanden op stuk
beten. Wij, de kenners, wisten wel beter. Wanneer je met je tong zo
een knikker heen en weer in je mond liet rollen, kon je er makkelijk
tot driekwartier puur genot aan hebben. En je kreeg vijf knikkers voor
een kwartje. Reken je winst maar even uit.
Zoethoutstokken duurden natuurlijk het langst, tot een hele halve dag
zelfs maar er bleef daarna dan wel nog urenlang een nare wrange smaak
in je mond hangen. En je kreeg de houtvezels niet van tussen je
tanden. Het zwaarst op ons budget wogen de repen chocola maar in elke
reep zat dan ook wel een gekleurd prentje met de grote renners van
toén. Romain en Sylveer Maes en Gust Danneels en Braspenninck en
Poeske Scherens en Lapébie . Onze goden van toen. Het snoepwinkeltje
van madame Vandeven was een oase in ons leven.
Op een dag dreigde echter een ramp. Een vriendje had bij hem thuis in
een gesprek van zijn moeder met de buurvrouwen toevallig gehoord “dat
bij madame Vandeven alles was weggehaald”. En toen waren ze allemaal
erg geschrokken en ze hadden meewarig het hoofd geschud. Wij renden
met vier tegelijk naar het winkeltje en zagen meteen dat het een loos
bericht betrof en dat alles er nog lag.
Terug thuis bracht mijn vriendje trots en buiten adem het verblijdend
bericht. “Het is niet waar hoor want wij zijn gaan kijken, ze hebben
bij madame Vandeven niks weggepakt, alles ligt er nog.” Zijn moeder en
de buurvrouwen waren niet eens blij, ze keken alsof het buiten donderde
en wij begrepen er niets van.
Nog elke dag kom ik aan de building voorbij. Twintig deurbellen zijn
er wel maar ik ken er niemand. Ik zou niet weten bij wie ik moet
aanbellen voor roze of witte spekken. En ze zullen de schouders
ophalen als ik vraag of madame Vandeven hier toevallig woont. Het
moeten destijds profetische woorden geweest zijn. Ze hebben echt alles
weggehaald.
JOS.
