
Ik wandelde het steegje uit , stapte de hoek om en kon nog net op tijd stilstaan voor een fietser die op het nippertje zijn voorwiel tussen mijn benen parkeerde. Steve. De enige echte. De gouverneur van Limburg zat dus niet op zijn kabinet, hij zat op zijn fiets. Kabinet vind ik overigens een verschrikkelijk woord maar taalkundig zitten staatslieden, ministers en gouverneurs daar nu eenmaal op. Zelfs de koning zit op een kabinet.
Als kind kon ik dat niet geloven, het riep ontluisterende beelden bij
mij op. Steve en ik hebben een tijdje over koetjes en kalfjes staan
praten. Ook weer zoiets dat van geen kanten klopt want wij hebben over
totaal andere dingen gesproken. Steve is na een tijdje verder gereden,
vermoedelijk naar zijn kabinet, en ik ben op een terrasje achter een
koffie gaan zitten nadenken over hem en over de gouverneurs die ik in
mijn leven op dat kabinet heb weten zitten. Vijf.
De eerste was eigenlijk geen echte mens zoals u en ik. Hij was een
abstract soort hoger wezen dat slechts om de zeven jaar zichtbaar werd
. Dan stapte hij mee in de eeuwenoude processie. Hij leek op
Napoleon maar dan wel bijna dubbel zo groot. Hij droeg een zwarte
pantalon met brede zilveren biezen , zijn vest was met goud en zilver
beladen en op zijn borst rinkelde een rits medailles die je normaal
nog in geen tien oorlogen bij elkaar kunt vechten. Aan zijn zijde
bengelde een zwaard. Een zilveren zwaard.
Als kind verwachtte ik dat hij vroeg of laat daarmee in het rond zou
gaan zwaaien. Het kan misschien ooit gebeurd zijn maar ik heb het nooit
gezien. Zodra je hem zag aankomen hield je instinctief de adem op tot
hij voorbij was. En dat duurde even want eigenlijk stapte hij niet
zoals een gewone aardse mens , hij schrééd. Ik was zelfs overtuigd dat
ik moest knielen zodra hij er was.
Mijn vader moest hem ambtshalve tweemaal in het jaar mondeling verslag
gaan uitbrengen over de toestand van de landbouw in de provincie. Mijn
vader diende dan kaarsrecht in de ontvangstzaal te blijven staan
wachten tot vijftien meter verder een dienaar in livrei de dubbele
deur opende en riep: Zijne Excellentie de Gouverneur! Mijn vader moest
eerst diep buigen en dan over die vijftien meter heen het rapport voor
te lezen. Daarna verdween de verschijning opnieuw achter de dubbele
deur. De tijd van toen. Hij bleek ondanks alles niet onsterfelijk en
na hem verscheen Louis Roppe op het schouwtoneel.
De eerste die in het echt bleek te bestaan. Je kon hem af en toe zelfs
levend door de stad zien wandelen. Hij bezat weliswaar ook zo een
prachtig pak, met alles erop en eraan, maar omdat Roppe een heel stuk
kleiner uitviel dan zijn voorganger had het toch niet datzelfde effect.
Harry Vandermeulen, de volgende, heb ik nooit in zo een pak gezien. Ik
denk dat hij bij zijn aantreden dat Napoleonkostuum één keer
aangetrokken heeft, voor de spiegel is gaan staan en toen tegen
zichzelf gezegd heeft: al wat je wil maar dat niet.
Harry was jaren mijn naaste buurman geweest. Het gouverfneurschap is
dus toen rakelings aan mij voorbijgegaan. Als buren nooit problemen
gehad. Of toch, jawel, toch. Voortdurend zelfs want wij hadden toen elk
drie kinderen en het toeval wilde dat de zijne dezelfde voornamen
hadden als de onze. Riep je er eentje naar binnen dan kwam
gewaarborgd de verkeerde vragen wat hij moest komen doen.
Met Harry als gouverneur werd het voor mij plots helemaal anders. Een
gouverneur werd voor mij ineens wat de Britten noemen “one of us”. De
man van thuisnaast. Iemand die op zondagmorgen naast je bij de bakker
kan staan voor pistolees. Mocht Hubert Verwilghen dat ooit gedaan
hebben dan was de wereld in elkaar gestort en de bakker bewusteloos
gevallen.
En of het nog niet dicht genoeg bij de mens was, de volgende keer
werd het een vrouw. En ze heette gewoon Hilde. Van Hilde wist ik zelfs
waar ze naar de kapper ging en hoe vaak. Een moedige vrouw, een beetje
roekeloos zelfs. Van Genk zijn en dan in Hasselt naar de kapper komen,
dat betekent zware risico’s lopen. Hilde kwam, Hilde ging. En toen
raakte het hek helemaal van de dam. Toen kwam Steve. Omdat ik geen
echte caféganger ben kende ik hem niet zo goed.
Ik vrees dat hij voor mij zelden een pint heeft getapt. In De Zwaan kom
ik nu nog altijd graag maar ik zie hem er nooit. Hij zit nu op zijn
kabinet. Op het terrasje achter mijn koffie gezeten heb ik mijn ogen
dichtgedaan en getracht mij Steve voor te stellen in het pak van
Napoleon. Met zijn hand in zijn gilet. Eigenlijk zie ik het voor hem
wel een beetje zitten, het zou hem sieren maar ik vrees dat de hele
nationale pers zou samenstromen om dat te zien. De tijd van toen.
Tachtig jaar, ik wist niet dat ze zo ver terug reikten.Tot bijna in de
middeleeuwen.
