
Ik zal de naam van het land niet noemen maar het was er heter dan ik ooit had ervaren. Zaïre en India en Kuala Lumpur en Botucatu waren heerlijke koele oorden vergeleken bij dit. Dit was de verschrikkelijke, de onhoudbare, de moordende hel. Een zondagmorgen was het en het hotel lag aan de rand van het enorme woud dat naar het échte oerwoud leidde. Wat doet een man alleen daar ? Ik wandelde dus maar doelloos in de richting van het woud. Een vage weg van steenharde donkerrode aarde die pijn aan de voeten deed en die nergens heen leidde. Dat dacht ik tenminste. Maar om de derde bocht lag tegen de rand van het woud een bouwvallig schuurtje met waarachtig een reclamebord “Bar Natalita”.
Als het een bordeel was dan maakte Natalita op die plek hooguit kans op drie klanten per jaar.
De deur stond wagenwijd open maar binnen was er niemand. Drie houten
tafeltjes, een lege tapkast, wat stoelen en verder niets. Er kwam een
meisje naar binnen. Twintig, zoiets. Ik zei het enige woord waarover
van in Paramaribo tot in Kleine-Spouwen geen misverstand kan bestaan.
“Cola”. Ze bekeek me, ze zei niets, ze draaide zich om en liet me
alleen achter. Ik dacht, die komt wel terug. Ze kwam niet terug, er
kwam een man. Een opvallend kleine man. Een vijftiger. Hij bekeek me,
bleef me bekijken, bleef me lang bekijken en vroeg toen plots,
doodgewoon in het Vlaams : “En ? Moet ik u nu feliciteren ?” Het
klonk agressief. Uitdagend.
“Willen we even gaan zitten ?” vroeg ik. Ik wilde hem vertellen wie ik
was maar dar wuifde hij weg. “Dat weet ik, zei hij, Nikki had u al
herkend. En nu denk jij zeker dat je het artikel van je leven zult
hebben. Thuis de grote jan gaan uithangen en aan de radio met veel
tralala gaan vertellen dat je mij gevonden hebt.”
“Sorry, zei ik, maar ik heb geen flauw idee wie u bent. Echt niet.”
Ik vertelde hem dat ik voor uitgeweken Vlamingen een lezing moest
komen houden in een stad die driehonderd kilometer verderop lag. Het
was de waarheid.
Tussen twee mensen kunnen in vreemde landen vreemde dingen gebeuren
“Kom mee naar mijn huis, zei hij. daar zal ik je alles vertellen.”
Eigenhandig had hij, driehonderd meter dieper het woud in, een houten
woning gebouwd. Op hoge palen met prikkeldraad omheen opdat de apen
niet naar boven zouden kunnen klimmen. Daar woonde hij. Met Nikki. Vier
jaar geleden een bankkantoor voor honderden miljoenen geplunderd, de
dag nadien al vernomen dat ze achter hem aanzaten en dus dezelfde avond
al het land uit. Met vier of vijf tussenhaltes . Tot hier.
“En hier heb ik dit huis gebouwd,” zei hij. Als dit niet het
interview van mijn leven werd, dan kwam er nooit meer een. Ik heb het
nooit begrepen , nu nog niet , maar hij zei ja. Hij maakte een
afspraak voor de dag nadien want mijn bandopnemertje lag in het hotel.
Hij wilde dat het interview op zijn slaapkamer gebeurde. We zaten
naast elkaar op de rand van het bed en hij vertelde.. Àlles. Van het
begin tot het einde. Over de maandenlange twijfels tussen het wél doen
of het niét doen. Over de doodsangst dat je niet op tijd het land zou
uit geraken. Over waar je onderweg zo een hoop geld moest zien
geparkeerd te krijgen. Over het hier aankomen en over het uiteindelijk
alles weer kwijtraken of ze leverden je uit. En over het heimwee aan
de rand van zo een woud. Heimwee vooral naar twee dingen, naar wat
cultuur en naar een frietkot om de hoek.
Het bandje met het interview ligt hier nog altijd ergens in een schuif.
Ongebruikt. Want ik heb het nooit uitgezonden. Waarom niet ? Tussen
twee mannen aan een ander eind van de wereld groeit soms onverwacht
iets heel vreemds. Iets onverklaarbaars. Iets dat niet uit te leggen is.
Vier jaar later heb ik hem opnieuw bezocht. Hij was er nog. De feiten
waren intussen verjaard maar ach… je wordt zo een woud gewoon. En aan
bomen kun je heel veel vertellen. Bomen zwijgen over wat je hen hebt
toevertrouwd.
Bij het afscheid heb ik hem de hand gedrukt. Hem alleen want Nikki was
er niet meer. Geen mens houdt het hier uit, zei hij, ze is weg.
Het was lang geleden dat ik nog aan hem gedacht had. Nu met deze
hittegolf plots weer opnieuw. Ginder moet het nu om en bij de vijftig
graden zijn.
JOS.
