
In het stadje waar ik nog nooit eerder was geweest, stapte ik een café binnen dat om een of andere reden ‘Le Grand Empereur’ heette . Het rook er doordringend naar gisteren. Wellicht betrof het de keizer in zijn latere vervalperiode.
De waard stond zoals het hoorde, achter de tap. Hij had een enorm dik hoofd dat uit een bruine rolkraag puilde en hij stond in gesprek met de enige klant in de zaak. Een schriel mannetje met een lederen petje dat hij vermoedelijk zelden afzette.
Ik had de deur nog niet dicht of het wipte al van zijn kruk, sloeg de handen in elkaar en riep: "Het is toch niet waar zeker."
Wie de B.V ‘s bedacht heeft,verdient Assisen.
"Turnhout!" riep hij. "Turnhout! Weet je het nog ? We zaten samen in
dezelfde compagnie.Met die rosse sergeant, dat stuk crapuul uit Tienen
of daar ergens."
"Nee hoor,zei ik, niet in dezelfde compagnie, niet in het bataljon ,niet in het regiment."
Ik wilde desnoods het hele leger uitsluiten als ik maar rustig aan een tafeltje een kop koffie kon zitten drinken.
"Allee nu, zei hij, we noemden hem de salami."
"Dat kan zijn, zei ik ,maar ik heb bij de luchtmacht gediend. Ik lag in Florennes , dat kan dus niet."
"En twee keer zal de Jos niet gediend hebben," hielp de waard nog.
"Ach, zei ik, een mens kan zich na al die jaren wel eens vergissen. Mag ik een koffie hebben ?”
De waard zette een machine aan de gang die meteen begon te reutelen alsof ze op sterven lag.
Af en toe eens op de beeldbuis verschijnen veroorzaakt om een of
andere reden dat anderen je vroeger per se willen gekend hebben.
Volslagen onbekende mannen die de bevestiging willen horen dat ik in
het Kamp van Beverlo ooit nog met hen een mitrailleur door de hei heb
getrokken. "Weet je nog? Het was om dood te vallen van de hitte en wij
maar sjouwen."
Terwijl de enige schoten die ik ooit voor het
vaderland heb afgevuurd ergens in de buurt van Sint-Niklaas in het zand
zijn terechtgekomen. Hele klaslokalen kan ik vullen met mannen die ik
in de loop der jaren ergens in het land ben tegengekomen en die
destijds naast mij op de schoolbanken gezeten hebben. Helaas telkens
in de verkeerde instelling of in de verkeerde stad.
Tot drie keer toe heb ik eenzelfde minister,telkens op een academische
zitting, in zijn speech naar mij in de zaal weten wijzen met daarbij
de olijke bedenking: "En over wat wij twee destijds samen in Leuven
aan de unief allemaal beleefd hebben, zullen we maar liefst zwijgen
zeker?" Om de sfeer niet te bederven knikte ik dan maar instemmend met
het hoofd terwijl ik nooit in Leuven gestudeerd heb.
Aan de tap was het gesprek stilgevallen. "Dan ga ik maar weer es verder," zei de kleine.
Hij hief nog wel de hand naar me op maar er lag toch een zekere
ontgoocheling in dat gebaar. Jammer. Nadat de deur was dichtgevallen
zei de waard: "Ik spreek nooit een klant tegen, dat mag je niet doen
maar ik wist het goed genoeg. Florennes 1948. Ik was daar ook.
Herinner je je de grote baas nog ? Achtentwintig was die en al kolonel.
Piloot geweest onder de oorlog bij de RAF. Die ging nooit door de gang
naar buiten, die sprong altijd door het venster van zijn kantoor, recht
het vliegplein op. Le Cheval noemden ze hem. Weet je nog?"
Verdomd ik wist het nog. Dit keer had ik een echte te pakken . Het gaf
ineens een heel apart gevoel. Het gevoel van oudstrijders onder
elkaar,denk ik.
JOS.
